Geschiedenis

De oudheid

De Psychognomie is voortgekomen uit enkele Physiognomische systemen. Vandaar volgt hier een stukje over de geschiedenis van de Physiognomie.

Hoe oud de Westerse Physiognomie is valt lastig te zeggen.
Er zijn teksten uit de oudheid bekend die de Physiognomie als onderwerp hebben. Kenmerkend voor de oudheid is dat er veelal een relatie tussen de Physiognomie en de astrologie aanwezig was. De gebruikte methoden waren intuïtief van aard in tegenstelling tot de Psychognomie zoals wij deze momenteel kennen.

De Grieken:
Onder de Grieken had de Physiognomie een breed draagvlak.
Zo gaf Socrates te kennen dat zijn uiterlijke voorkomen duidde op driften welke hij in zichzelf had leren te beteugelen.

Pythagoras selecteerde leerlingen op basis van uiterlijke kenmerken. Voordat iemand toestemming kreeg deel te nemen aan zijn leerweg, werd deze persoon onder meer Physiognomisch beoordeeld. Volgens Pythagoras drukte een getal zowel een karakter(-trek) als een gedaante uit, hij was dan ook in staat om via de wiskunde het ideaal te berekenen in karakter en bijbehorend uiterlijk.

Plato en schoonheid
Plato stelt dat het de geest is die zich zijn lichaam bouwt. Zoals ik Plato opvat: Een wezen dat natuurlijk voelend en kijkend is, zal zich aangetrokken voelen tot hetgeen goed is. Zou een (natuurlijk voelend en kijkend) wezen zich immers aangetrokken voelen tot zaken die slecht zijn, dan zal dit wezen weldra omkomen/uitsterven. Tot schoonheid voelen wij ons aangetrokken. Daarmee zouden schoonheid en (ethische) goedheid dus ook één moeten zijn.

Plato stelde:
Een goede geest bouwt zich een mooi lichaam, een slechte geest een lelijk. Vandaar ook dat Plato God als oneindige schoonheid voorstelt. Schoonheid voldeed daarmee aan definitie, niet enkel aan smaak.

De stelling luidt: Schoonheid wekt aantrekking op in de aanschouwer. Schoonheid leidt tot liefde en liefde leidt tot het verlangen om beantwoording. Ofwel, liefde leidt ertoe dat men zelf lief gehad wil worden door het wezen dat men lief heeft.

Kijken we naar de Griekse kunst, dan blijkt dat de Grieken goden poogden weer te geven in hun beeldende kunst. Deze goden drukten in hun schoonheid goddelijke deugden uit. De aanschouwer zou in vervoering raken door de waargenomen schoonheid. De liefde wordt verwekt, deze aanschouwer wil vervolgens lief gehad worden door het wezen dat hij/zij aanschouwt. Hij zij zal zich in een gunstig daglicht stellen door zelf meer deugdzaam te worden en wel deugdzaam in de ogen van de goddelijkheid die aanbeden wordt. De Grieken spraken zelfs van een "zielsverrukking" die uit het Schone opbloeit, deze werkt uitgedrukt door "entheos = in God (vervoerd).

De deugd of zieleschoonheid wordt bij de Grieken uitgedrukt onder de benaming van "schoon" (tó kalón, het schone, de deugd; ta kala, de schone daden). Door zieleschoonheid participeren wij, dat is, worden wij deelgenoot aan het Goddelijke Schone.
Als het waarheid is dat de geest het lichaam bouwt, moet daarmee schoonheid verwekt worden in de mensen die op deze wijze in God vervoerd is.

Aristoteles, de leerling van Plato, omschreef de samenhang van lichaam en geest. Hij werd zozeer in verband gebracht met de Physiognomie, dat vele eeuwen na zijn overlijden, een werk uitgebracht werd over de Physiognomie. De schrijver gebruikte de naam Aristoteles.

Terwijl Plato stelde dat het de geest is, die soeverein heerst over het lichaam, keek Aristoteles hier anders naartoe. Hij stelde dat het omgekeerde ook waar kan zijn. Het lichaam kan de geest ook beïnvloeden.
Een mens in verering zal "opkijken naar het wezen dat hij/zij vereert" de ogen zijn naar boven gericht. In deze stelling is verering het sentiment, de richting waar de ogen naartoe gedraaid worden het gevolg. Gaan we het experiment aan door het geheel om te keren, dus eerst de ogen in een stand richten dan zou volgens de theorie het volgende moeten gelden:
-Richt de ogen omhoog, hou ze voor dertig seconden in deze positie, gevoelens van eerbied, devotie en contemplatie zouden ontstaan.
-Richt de ogen zijwaarts en kijk door half gesloten oogleden, na dertig seconden zouden gevoelens van verdenking, ongemak en aversie ontstaan.
Hetzelfde kunnen we doen met mimiek van de mond, een lachende mond leidt tot blije gedachten.

De dode zee rollen:
Toen men de dode zee rollen vond, ontdekte men twee manuscripten die de Physiognomie als onderwerp hadden. Eén van beide documenten gaat over Physiognomische kenmerken en hun betekenis, het ander over de Physiognomie in relatie tot de sterrenbeelden.

Het gaat hier om één Hebreeuws en één Aramese manuscripten, momenteel bekend onder de codering: 4Q186 en 4Q561.

Physiognomie en het Christendom/religies op basis van het Oude Testament:
Het tweede gebod Naar Exodus 20:1-17 en Deuteronomium 5:6-21:
"Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de Heere uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden."

Tevens stelt men dat de mens geschapen is naar het evenbeeld God`s.

Op basis van deze twee dogma`s werd het verboden afbeeldingen van de mens te maken. 

Kunst:
Vervolgens waren het de kunstenaars die de Physiognomie weer oppakten.
Schilder of teken op geloofwaardige wijze een generaal, een zorgzame moeder, een diervriend, enzovoort. De schilder en tekenaar gelooft veelal dat dit mogelijk is.
Lichaamsvormen, hoofdvormen en gezichtstrekken zullen de geschilderde persoonlijkheid al dan niet geloofwaardig maken.
Onder meer de Franse schilder Le Brun kwam in 1667 met een Physiognomisch werk, dat bovenstaand doel behartigde.

Johann Caspar Lavater (1741-1801):
Johann Caspar Lavater, een Zwitsers theoloog die in de 2e helft van 1700 leefde, was een Physiognoom die mede op basis van schaduwportretten Physiognomische beoordelingen uitvoerde.

De schepper zal zich in zijn werken en in zijn wetten niet tegen zal spreken. Johann Caspar Lavater stelde dat als de mens geschapen is naar het evenbeeld van God, dat door de mensheid te onderzoeken, de schepping niet in twijfel gebracht wordt, zij wordt juist onderzocht en daardoor beter begrepen. Daardoor wordt het beter mogelijk in lijn met de schepping te handelen.
Doordat hij de mens zag als schepsel van God, onderzocht hij deze ook met veel eerbied. De mens is onderdeel en deelgenoot van de schepping. Middels de talenten waarover een mens beschikt, kan deze zich dienstbaar maken voor de schepping.

Hij werkte volgens een meer intuïtief systeem dan hoe wij dit vandaag de dag doen.
Vanuit verre omstreken stuurden mensen schaduwportretten naar hem toe, deze analyseerde hij. Zijn bevindingen stuurde hij per post terug naar dezelfde mensen.
Johann Caspar Lavater bouwde voort op
-de kennis van de kunstkenners die de Griekse oudheid bestudeert hadden (zoals Gellert, Mengs, Winckelmann, Lessing)
-werken van Della Porta, Engelse en Franse Physiognomen.

Hij maakte de Physiognomie weer populair. Daarmee effende hij de weg voor de navolgende systemen.
Ondermeer Goethe en Lessing behoorden tot zijn naasten.

Werken van zijn hand vonden ook in Nederland gretig aftrek. Er zijn dan ook Nederlandse vertalingen te vinden van zijn werken, zoals het werk: Over de Physiognomie, door J.C. Lavater. Amsterdam, J. Allart, 1781-1784, 4 delen



 
 
 
----------------------------------------------------------------------------------------------
mail: Info@patrickwetzels.nl | telefoon: 06 301 346 18 | postadres: Karolingenstraat 92 6132 GC Sittard